De jaren '60 van de vorige eeuw zijn wel aangeduid als die van de sexuele revolutie.
De nieuwe generatie zette zich af tegen de burgermansmentaliteit die de jonge mensen van toen hun ouders toeschreven, ze herkenden zich niet in de regenteske manier van besturen en het nastreven van bezit. Dat vervolgens juist deze generatie het meest regentesk van al werd, en de generatie van kort daarna zich van een zeer hebzuchtige kant liet zien, denk maar aan de schuldencrisis, dat laat ik hier even terzijde. In die tijd leek het allemaal nieuw, fris, goed, open, verbeterd.
Ook de sexualiteit werd 'open gegooid'. Dat kon, want de pil was uitgevonden, een innovatie van onschatbare waarde waardoor geslachtsverkeer niet meer automatisch uitmondde in verantwoordelijkheden voor een gezin. Je kon wat uitproberen, met verschillende partners, met verschillende leefvormen, voordat er iets vasts hoefde te komen. En omdat niemand bezit hoefde (mocht) zijn van een ander, kon het ook met meer tegelijk of na elkaar. Later is wel duidelijk geworden dat dat vooral voor veel vrouwen een zware belasting is geworden, zij konden niet meer met goed fatsoen weigeren om relaties aan te gaan zonder tot blauwkous te worden bestempeld, ook al waren ze er niet aan toe. Verder was de emancipatie nog niet zover gekomen dat vrouwen echt serieus werden genomen. Al die collectieve bijeenkomsten waren platforms voor de jongeheren om de nieuwe tijd vorm te geven, terwijl Mina - toen nog niet dol - de koffie inschonk.
Inmiddels zijn we jaren verder. Het zal niemand ontgaan zijn hoe sterk onze maatschappij versekst is. Voor degenen die een volwassen, bloeiende relatie op basis van wederzijdse warmte en respect hebben, een heerlijke tijd die ook op het lichamelijke vlak rijke mogelijkheden biedt.
Voor degenen die zoekende zijn, onzeker, of hun persoonlijkheid nog niet goed hebben ontwikkeld, kan deze tijd leiden tot aberraties en excessen. Een nieuwe preutsheid staat op tegenover een wereld van porno, sexueel misbruik, emotionele chantage en onbegrip voor de behoeften van de ander.
Over die excessen schrijft Michel Houellebecq (1958) in zijn boek Elementaire deeltjes. Twee halfbroers, zoons van een vrouw van de losgeslagen jaren '60, groeien apart van elkaar op tot emotioneel gemankeerde mensen.
De een is niet in staat tot een band met andere mensen en heeft met niemand een zinvolle relatie, en stort zich in de wetenschap als briljant bioloog. De ander kan het ook niet en zoekt het in een eindeloze opeenvolging van uitspattingen en fantasieën als hij geen sexuele partner kan krijgen. De maatschappij waarin dit kan gebeuren wordt tot op het bot gefileerd door Houellebecq.
Op een heel ander niveau schrijft ook de iets jongere Christiaan Weijts (1976) over deze verwording van het emotionele door het sexuele. Zijn boek 'Art. 285b' is een hele kluif om door te komen, door de beschrijving van de eerloze sexuele activiteiten van het snolletje Vicky, haar continue grove taalgebruik, de ranzigheid van de fantasieën van Sebastiaan die het zo graag met haar zou doen maar niet mag. Tot je door de krachttermen heen een tragedie ziet opdoemen en gefascineerd raakt door het energieke moderne idioom.
Verdachte - dat is Sebastiaan, aangeklaagd wegens stalking op grond van art. 285b van het BW, door Vicky natuurlijk - is geobsessioneerd, hij kan niet anders dan doorgaan tot hij het verborgen, onbedorven 'jonge meisje' in Vicky heeft uitgepeld, om haar zo te genezen van de zelfvernietigende drang om zich te vergooien. Natuurlijk lukt het niet.
Toch is dit boek in de grond optimistisch. Sebastiaan doet een appèl op de maatschappij, hij blijft geloven in zuivere liefde en onbedorvenheid. Erg volwassen is dat niet maar hij heeft wel een ideaal.
Het boek van Houellebecq eindigt pessimistischer. Michel de bioloog ontdekt dat sexualiteit onvermijdelijk de dood betekent. Zonder sexualiteit zou de (vroege) dood niet nodig zijn. Hij ontwerpt een proces waardoor mensen zich ongeslachtelijk kunnen vermenigvuldigen. Daarmee is het lot van de mensheid bezegeld: de nieuwe mens is ongeslachtelijk. Het boek eindigt met een woord van dank van deze nieuwe levensvorm aan zijn voorganger, de vrijende, hoererende, pornoliefhebbende en soms ook liefdevolle sterfelijke mens. Want hij/zij/het weet: die mens sterft nu uit.
Deze boeken lees ik met bewondering voor inzicht en prachtige taal en beelden. Toch zijn ze, denk ik, vooral een waarschuwing. De mens komt het beste tot zijn en haar recht in een omgeving van liefde, respect en genegenheid. Zoek die op, verdwaal niet in egoïsme, lijken deze schrijvers te zeggen. Niet ik, maar de ander. Niet de ander, maar de ander en ik. Ongelovig als ik ben, lees ik dat ook in het grote gebod van het Christendom. Houd van jezelf, en houd van de ander. Dat is moeilijk genoeg, maar er zijn er toch velen die dat lukt!
No comments:
Post a Comment