Hier zie je een mooi voorbeeld van een dovenetel aan de rand van de weg. tussen de paardenbloemen.
Als jong meisje zwierf ik graag door Rotterdam. Er lagen daar toen nog veel stukken braak. Op die landjes kon je heerlijk spelen, en er groeide van alles. Ook veel kleine wezentjes liepen er rond.
Die kon je goed zien als je op je buik lag, met je neus tussen de halmen.
Als ik dan loom van het zonnetje tevreden lag te zijn, pakte ik met duim en wijsvinger de witte bloem van de dovenetel bij de bovenkant. Met een licht rukje kwam deze in haar geheel los. Ze heeft de vorm van een soort trompetje. Dat trompetje stak ik in mijn mond, zoog er voorzichtig aan. Met een beetje geluk proefde ik een heerlijk zoete smaak. Dat was een miniscuul drupje nectar, de nectar die de bijen verzamelen om er honing van te maken. De smaak van nectar is echt anders dan die van honing. Het heeft iets lichts, iets als suikerwater. Het heeft nog niet het stroperige van honing. Die krijgt zijn stroperige aspect door het toevoegen van het speeksel van de bij. Als ik daar dan lag, was ik zonder het te weten aan de goden gelijk, want deze nectar is de drank der oude goden.
No comments:
Post a Comment